Wiskundigen mogen niet huilen.

Vandaag is mijn nieuwe boek naar de drukker! Het is een essay/verhalenbundel over wiskunde. Het bestaat uit vijf verhalen en essays. Binnenkort zal ik hier een voorpublicatie posten. Vanaf 20 november ligt het in de winkels.
De titel is: Wiskundigen mogen niet huilen. Volgens de uitgever een verrukkelijke verzameling essays over wiskunde, geschreven met een filosofische blik. Leuk om aan Sinterklaas te vragen  (of te geven natuurlijk)!

Wiskundigen mogen niet huilen

Advertisements

Genoeg gepraat, laten we de mouwen opstropen

Er verschijnen de laatste tijd nogal wat rapporten en opinieartikelen over het onderwijs. Enkele weken geleden pakte De Groene Amsterdammer uit met een extra dikke special met als vraag op de voorkant: Hoe goed is ons onderwijs nog? Een week eerder verscheen er een rapport van de onderwijsinspectie waarin werd geschreven dat Nederlandse leerlingen goed presteren en tevreden zijn over hun onderwijs, maar dat ze weinig gemotiveerd worden op school en in vergelijking met andere landen zelfs beschamend weinig. Ook het leer- en lees plezier blijft achter. In 21 procent van de lessen in het voortgezet onderwijs, zo concludeert de inspectie, wordt een groot gedeelte van de leerlingen niet actief betrokken. De WRR publiceerde afgelopen februari het rapport ‘Naar een lerende economie’, waarin men enkele veranderingen ten opzichte van het huidige onderwijs voorstelt. Op internet floreren onderwijsblogs waarin initiatieven worden aangedragen voor beter onderwijs en zelfs voor het professionaliseren van docenten. Maar wat gebeurt er op de scholen? Wat is er eigenlijk gebeurd met het onderwijs na de oprichting van Beter Onderwijs Nederland, begin 2006?

Jan Fasen schrijft in het aprilnummer ‘Van 12 tot 18’ dat wij, de onderwijsprofessionals, de mouwen moeten opstropen, de visies moeten bundelen en moeten beginnen met het maken van een landelijke transitieagenda. Ik ben voor, van de politiek hoeven we niets te verwachten. Welke verbeteringen zijn er de afgelopen acht jaar doorgevoerd? Staatssecretaris Dekker heeft onlangs ingezet op de toptalenten, hij geeft aan dat scholen veel ruimte hebben om initiatieven te ontwikkelen, flexibele roosters in te voeren, jaargroepsystemen los te laten, en gebruik te maken van expertise van buiten de school. Leuk, maar dit is niet voldoende, er blijven te veel restricties. En dus moeten we zelf aan de slag. Schoolleiders zouden meer lef moeten tonen en samen met de docenten gaan nadenken over wat goed onderwijs is. En daarbij bedenken dat scholen van de inspectie veel meer ruimte krijgen dan men denkt, en de woorden van de staatssecretaris toepassen op alle leerlingen in plaats van enkel op de toptalenten.

Misschien zit daar wel het probleem. Goed onderwijs staat of valt bij betere docenten. Ongetwijfeld. Maar deze docenten worden wel aangestuurd door schoolbesturen en schoolleiders en functioneren binnen een bepaalde schoolcultuur. Eind maart verscheen het rapport ‘De kwaliteit van schoolleiders’ van de onderwijsinspectie, waarin werd gesteld dat er ook een correlatie bestaat tussen goede schoolleiders en goed onderwijs. En dat veel schoolleiders onder de maat presteren. En dus zal men voor beter onderwijs niet alleen hogere eisen moeten stellen aan docenten, waarover de discussie nu vaak gaat, maar ook aan schoolleiders.

Om een begin te maken met de transitieagenda zoals Fasen voorstelt, wil ik twee vragen opwerpen. De eerste vraag is waarom veel hoger opgeleiden niet voor het onderwijs kiezen (of, als ze de kans krijgen, het onderwijs weer verlaten). En de tweede vraag is: Wat is goed onderwijs? De eerste vraag wordt vaak gekoppeld aan de lage status van het beroep en het salaris, dat in vergelijking met het bedrijfsleven achterloopt. Ik zou graag een ander antwoord willen geven op deze vraag. Het voortgezet onderwijs is een weinig inspirerende omgeving voor hoger opgeleiden die zich wensen te blijven ontwikkelen. Natuurlijk is het leuk om met pubers en jonge volwassenen te werken en veel docenten putten daar energie uit, maar vijf, zes, zeven uur op een dag leerlingen motiveren, uitdagen, ondersteunen, en tegelijkertijd te differentiëren is niet te doen in een gewone werkweek binnen de huidige omstandigheden. De huidige schoolcultuur is de bron van middelmatigheid. Nieuwe ideeën worden niet snel aanvaard vanwege die middelmatigheid en progressieve docenten worden door de meerderheid voor gek versleten. Ook niet vreemd natuurlijk omdat elke verandering een verhoging van de werkdruk oplevert. Al met al geen ideale situatie om in te werken. En dat terwijl het onderwijs op zich een zeer boeiend vakgebied is. Als ervaren docent zie ik genoeg mogelijkheden om mezelf uit te dagen. Maar dat is tegelijkertijd een bron van frustratie. Met de opkomst van internet is het vrij eenvoudig inspiratie op te doen voor de lessen en mijn kennis op tal van gebieden die raken aan onderwijs te vergroten. Maar dan zou ik werkweken maken van 70 tot 80 uur, omdat op school die tijd niet geboden wordt. Maar dat weiger ik, ik wil geen langere werkweek, ik wil een verandering in schoolcultuur in Nederland. Een cultuur waarin men elke dag spreekt over wat goed onderwijs is, waarin men met en van elkaar leert en waarin de schoolleiders bezig zijn met het verbeteren van onderwijs in plaats van organisatorische kwesties. Een goede leider is iemand met een visie en iemand die het talent van zijn mensen kan benutten. Die zijn professionals autonomie geeft, hen laat excelleren en de voorwaarden daarvoor schept. Om goede mensen aan te trekken voor het onderwijs moet het onderwijs uitdagend zijn, moeten docenten de tijd krijgen na te denken over en het ontwikkelen van onderwijs. We moeten naar minder contacturen, en veel meer rendement halen uit de lessen die gegeven worden. Zo kunnen we, zoals de inspectie schrijft, wel iedereen actief betrekken, omdat we per individu met elkaar na kunnen denken hoe we dat gaan doen. De rest van de tijd zouden docenten bezig moeten zijn met onderwijsontwikkeling. Als de inspectie schrijft dat ‘Schoolbesturen en schoolleiders moeten leraren die dat nodig hebben, ondersteunen bij de verdere ontwikkeling van hun differentiatievaardigheden’, slaan ze de plank volledig mis. Zodra een andere schoolcultuur haar intrede doet, als docenten meer tijd krijgen om met elkaar te overleggen en best practices uit te wisselen, gaat het vanzelf. Het wordt hoog tijd om te beseffen dat docenten en schoolleiders in deze tijd niet vergelijkbaar zijn met docenten en schoolleiders in de vorige eeuw. En dat er veel meer mogelijk is. We zullen ons dus moeten blijven ontwikkelen. En daarvoor is een omslag nodig, we zullen een nieuwe schoolcultuur moeten creëren, die past bij deze tijd. We moeten de middelmatigheid zien te doorbreken. Of zoals Graa Boomsma het in De Groene formuleerde: “Excellente leerlingen? Dan eerst excellente leraren.” En omdat er een grote verandering nodig is, zou ik er aan willen toevoegen: en excellente schoolleiders.

Het antwoord op de tweede vraag heb ik ook niet. Maar minder les, bijvoorbeeld alleen in de ochtend, en meer tijd voor onderwijsontwikkeling, zou een stap in de goede richting zijn. Ik wil niet dag in dag uit bezig zijn met dingen overdragen die ik zelf al lang weet. Ik wil me blijven ontwikkelen op tal van terreinen. Als de leerling leert, wil ik ook leren. Op die manier laat ik de leerlingen zien dat leren leuk en nuttig is, en tegelijkertijd worden de lessen interessanter en beter. Samen met secties wil ik uitdagende opdrachten of projecten bedenken en de lat hoog leggen. Er zijn genoeg voorbeelden van scholen waar dat al gebeurt, in het buitenland maar ook in Nederland, zoals de FABklas, waar leerlingen wel gemotiveerd zijn en zelfs na schooltijd rustig doorwerken omdat het project interessant is en voldoening geeft. Ik wil samen kunnen nadenken over wat voor soort leerlingen we af willen leveren, nadenken over cognitieve en non-cognitieve vaardigheden. Ik wil de tijd hebben om bij collega’s in de les te komen, van elkaar te leren. Ik wil dat schoolleiders lessen bezoeken en feedback geven, niet één keer per jaar, maar elke week, al is het maar een kwartier. Verder wil ik af van de grote hoeveelheden toetsen en het vele nakijkwerk. Als de inspectie schrijft dat leerlingen aangeven dat hun motivatie daalt als een activiteit niet voor een cijfer is, dan ben ik er zeker van dat men niet de goede vraag heeft gesteld. In plaats daarvan zouden we beter diagnostisch toetsen met behulp van ICT. Dat kan al, maar wordt nauwelijks gedaan. Veel meer aandacht besteden aan feedback in plaats van toetsen. De leerling meer autonomie geven, zodat de motivatie voor het leren wordt vergroot, nadenken over extra vakken, zoals filosofie, Spaans en programmeren. Ook kan er met behulp van ICT veel meer worden gedifferentieerd. We moeten af van het oude dogma dat iedere leerling op hetzelfde tijdstip, op dezelfde plek, in hetzelfde tempo, dezelfde stof wordt aangeboden. Graag zou ik af willen van die zesjescultuur, die in stand wordt gehouden door de huidige schoolcultuur. Leerlingen met een eindlijst met enkel zessen in de brugklas, hebben een grote kans later in hun schoolcarrière te blijven zitten. Dat is bekend, maar we doen er nauwelijks iets aan. In plaats van onderscheid te maken tussen cijfers van leerlingen, zou ik onderscheid willen maken door verschil in snelheid. Een leerling mag pas verder met het volgende gedeelte van de stof als het vorige met een acht of hoger (digitaal) is afgesloten. De goede leerlingen kunnen dan sneller door de stof, de minder goede leerlingen doen er wat langer over, maar iedereen beheerst uiteindelijk de gehele stof. Zo hoeven kinderen ook niet te blijven zitten (wat voor niemand goed blijkt te zijn), kunnen ze een eventuele achterstand op een later tijdstip toch weer inhalen, en kunnen ze sommige vakken afsluiten op een hoger niveau. ’s Middags wordt iedereen betrokken bij uitdagende projecten, want zeven uur in de banken is voor niemand goed. En waarom niet experimenteren met blended-learning in het voortgezet onderwijs? Dat vergt wat organisatie, maar het is mogelijk, zeker wanneer de docenten meer tijd krijgen om dit te realiseren.

Op iedere school werken mensen met ideeën die het voortouw voor dit soort veranderingen kunnen en willen nemen. Gebruik die capaciteiten in plaats van ze te negeren. Laat mensen samenwerken en praat met elkaar, praat met andere scholen over eventuele problemen, over mogelijke oplossingen. We kunnen eindeloos blijven praten over motivatie van leerlingen en PISA-scores, we kunnen blijven wachten op goede ideeën uit Den Haag, we kunnen eindeloos blijven schrijven, maar we kunnen ook gewoon doen. De tijd is er rijp voor. Laten we, zoals Fasen voorstelt, de mouwen opstropen. Laten we eigenwijs zijn. Laten we minder lessen geven, waardoor de werkdruk en het aantal burn-outklachten dalen, en tegelijkertijd het onderwijs verbetert en aantrekkelijker wordt. Laten we nadenken over wat goed onderwijs is en hoe we dit gaan realiseren. En laten we zelf weer leren, van elkaar en ieder apart. Als door werkdrukvermindering docenten weer open staan om zich te ontwikkelen, als ze weer ruimte in hun hoofd hebben om vragen te stellen en zich te verwonderen, en als de schoolleiders hen faciliteren, dan volgen beter onderwijs en die jonge hoger opgeleiden vanzelf. En dan gaan we het daarna eens over het salaris hebben.

Beter onderwijs.

Wat is belangrijk voor goed onderwijs?

Goed onderwijs begint volgens John Hattie (Professor of Education) met docenten die samenwerken en hun impact proberen te begrijpen. ICT maakt niet het verschil, kleinere klassen ook niet, maar de docenten. Niet de docenten die zeggen: ‘My job is to cover the curriculum’, niet de docenten die zeggen: ‘My job is to get kids through the exams’, maar docenten die zeggen: ‘I wanna understand my impact.’